Waar een wil is, is een weg. Helaas zijn er op die van mij wegwerkzaamheden!

Ik heb al een zeer bewogen parcours qua werken achter de rug. Ik ben afgestudeerd als (psychiatrisch) verpleegkundige, die keuze maakte ik eigenlijk wel heel bewust op mijn 18de. Ik zei al vanaf ik 14 was dat ik psychologie zou gaan doen, de psyché van de mens: dat interesseerde me wel, nog steeds eigenlijk. Ik heb alleen één groot probleem: ik heb een vrij extreme vorm van faalangst en ik durfde zelfs niet aan een studie op de unief beginnen. Intellectueel gezien had ik dat zeker aangekund, daar twijfel ik zelfs niet aan, maar om goed te kunnen studeren heb je wel meer nodig dan een goed stel hersenen alleen. Ik weet dat ik mijn ouders, en dan vooral mijn vader, zwaar teleurgesteld heb toen ik kwam zeggen dat ik mààr verpleegkunde wilde doen. Ik herinner me die dag zelfs nog als gisteren. Ik had op school een gesprek gehad bij het CLB, we kregen toen studiekeuzebegeleiding van hen. Ik had twee mogelijke opties opgeschreven: verpleegkunde en psychologie. We hadden ook testen moeten doen waaruit echt wel bleek dat ik slim genoeg was om psychologie te gaan doen. Verpleegkunde zou dus helemaal geen probleem zijn, zei ze. Ik vertelde haar mijn visie erop en ik weet nog dat ze heel enthousiast zei: “psychiatrische verpleegkunde, dat is iets voor u!” Ik was meteen even enthousiast, ik wist zelfs niet dat dat bestond. Nu goed, ik zei na dat gesprek tegen al mijn klasgenoten dat ik het wist: ik zou verpleegkunde gaan doen en me dan specialiseren in psychiatrie: hallelujah, ik leek het licht gezien te hebben. Zelfs mijn lerares van Latijn zei dat dat echt iets voor mij was.

 

Goed, ik haalde dus inderdaad dat diploma, met mijn ogen dicht zelfs. Ik had al werk voor ik was afgestudeerd, bij het Wit-Gele Kruis. Ja, ik weet het: dat is geen psychiatrie, maar de stage daar was supergoed meegevallen. Verder was het heel aanlokkelijk dat ik ook een auto zou krijgen die ik eveneens voor privégebruik mocht gebruiken. Zelf een auto kopen kon ik nog niet, dus ja, het was voor mij een vorm van vrijheid, die auto. Ik moet eerlijk bekennen dat mijn auto nog steeds een vorm van vrijheid is voor me. Ik heb periodes gehad dat ik geen geld meer had voor eten, maar mijn auto deed ik niet weg, geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht… en ik heb veel haar! Ik reed er dan wel heel weinig mee, maar als ik echt wilde, kon ik helemaal tot in Timboektoe rijden.

Terug naar het Wit-Gele kruis, ik deed dat werk wel graag. Je bouwt daar trouwens ook wel echt een band op met uw patiënten, het is ook helemaal anders dan in een ziekenhuis: hier kom je bij hen over de vloer. Het maakt dat je veel nederiger bent dan wanneer je in het ziekenhuis een patiëntenkamer binnen gaat. Ik had dat toch, ik weet niet hoe dat zat voor mijn collega’s. Je krijgt tijdens die job trouwens ook heel wat levenservaring mee. Ik kwam ik kasten van huizen waar de butler de deur open deed en ik kwam in krotten die op instorten stonden en waar de schimmel tegen de muren hing. Mensen die met hun geld geen blijf wisten en mensen die geen nagel hadden op aan hun gat te krabben. Ik vond trouwens dat er van die laatste categorie echt veel meer waren dan ik ooit voor mogelijk had gehouden, het waren ook zij die me vaak een koek of een koffie aanboden. Ik kwam ook bij een oude bejaarde man die me meteen herkende: “Els, ik heb u nog gekend toen jij nog maar zo groot was.” Het bleek de fruitboer die aan de deur kwam bij mijn moeder toen ik inderdaad nog een klein pagadderke was. Ik kreeg er elke keer een speculaasje en een koffie. Ik kwam ook bij heel wat andere culturen terecht: Marokkanen zijn trouwens heel vrijgevig. Ik kwam daar nooit zonder drank, koekjes en fruit buiten. Officieel mocht je dat niet aannemen, maar die mensen beschouwden dat als een belediging. Ik kreeg ook eens een kippenbil van de BBQ mee, ik was die dan aan het opeten in de auto terwijl ik naar mijn volgende patiënt reed. Ik werd overigens ook een kei in het communiceren met anderstaligen. Mijn patiënten spraken me allemaal aan met Elske, Els was te kort vonden ze, denk ik. Met nieuwjaar kreeg ik pralines, Merci’kes, koekjes, marsepein, zelfs een fles champagne kon ertussen zitten. Ik heb zelden zo’n dankbaarheid van patiënten ervaren als bij het Wit-Gele Kruis, het deed me oprecht iets. Tsja, ik was vaak ook de enige die ze zagen op een dag…

 

Ja, ik deed dat graag, heel graag. Ik vond het echter ook heel zwaar: het rizib bepaalde hoeveel patiënten je kon doen in 4u tijd en dat waren er echt veel, je had nooit gedaan als je thuiskwam: je kan dan nog toeren gaan uitstippelen (jaja, en nog allemaal zonder gps) bijvoorbeeld. Of je ligt al in je bed en je collega belt om te zeggen dat je er de volgende dag een patiënt bij hebt. Terug je bed uit dan, want die moet je er ergens tussen gaat zetten. Een GSM van het werk vond ik ook meer een vloek dan een zegen. Volgens mijn ex deed ik niets anders meer dan werken, ik kon dat tempo ook niet aanhouden. Ik ging eronderdoor: depressie zei de psychiater. Ik woonde net alleen, mijn twee weken gewaarborgd loon waren voorbij. Ik werkte nog niet lang genoeg om al van de ziekenkas te trekken en ik moest naar het OCMW. Ik kreeg een leefloon, als ik echter de huur van mijn appartement had betaald, schoot er nog een 100 euro over om al de rest te betalen. Ik had een probleem en na een maand ging ik terug werken, tegen advies van mijn huisarts en psychiater. Ik weet nog dat ik dacht: hoe ironisch, ik sta elke morgen op om de mensen te gaan wassen en ik was mezelf niet eens meer. Het was pure doorzetting op dat moment, niets meer dan dat. Tot ik letterlijk door mijn benen zakte, ik was zo over mijn grenzen gegaan dat ik gewoon niet meer op mijn benen kon staan. Enkele dagen later zat ik op de PAAZ, maar ik had gelukkig ondertussen genoeg gewerkt om van de ziekenkas geld te trekken. Dat bedrag was nog steeds niet hoog, maar toch al hoger dan een leefloon.  Ik doorliep een parcours van opname en dagtherapie, ik was er echt erg aan toe. Mensen begrepen niet dat ik tot vlak voor die opname nog voltijds werkte… ik eerlijk gezegd ook niet.

 

Ik ging nadien vrijwilligerswerk doen als verpleegkundige. Op reis met bejaarden en gehandicapten omdat ze zonder verpleegster niet op reis konden. Dat was heel fijn, maar wel hard werken. Ook ging ik aan de slag als verpleegkundige bij dokters van de wereld. In Brussel was dat. We hielpen daar daklozen met medische zorgen. Ik voelde me zo gelukkig toen, dat was waarom ik ooit met verpleegkunde begonnen was: mensen helpen. De idealist in mezelf werd weer wakker. Er was echter een groot probleem: de medisch adviseur van de ziekenkas en mijn ex vonden het tijd dat ik terug betaald ging werken. Ik deed liever iets dat ik met hart en ziel deed dan iets waar ik geld voor kreeg maar me niet warm kon maken. Nu goed, ik was toen nog van mening dat er in de betaalde jobs wat betreft verpleegkunde ook wel zoiets moest te vinden zijn. Ik was nog steeds aangenomen bij het Wit-Gele Kruis trouwens. Ik ben ze nog steeds zeer dankbaar dat ze me nooit ontslagen hebben en dat de hoofdverpleegkundige zei dat ze al bij al best tevreden over me waren. Oh ja, mijn patiënten daar hadden blijkbaar nog vaak naar me gevraagd ook. Ikzelf heb er ook van in mijn geheugen opgeslagen: de Miel bijvoorbeeld, een oude man… ik vond hem geweldig. Het was een man van weinig worden, misschien werd hij wel zot van mijn getater, maar hij zei er niets van en kon me steeds zo lief toelachen. Soms sprak hij toch en dan was het niet zomaar iets, maar echt iets waarover nagedacht was. Ik heb zo’n mensen graag, echt graag. De eerste keer dat ik er kwam, had hij me gevraagd wat ik lekker vond van fruit, wat ik zou kiezen als ik mocht kiezen tussen een mars en een Twix en wat ik graag dronk. Hij gaf me elke keer een zakje mee met een banaan, een mars en een blikje cola-light. Hij vroeg me ook regelmatig of hij aan mijn haar mocht komen: hij deed dat zo liefdevol en hij mompelde dan telkens: “zo’n mooi haar, zo’n mooi haar”. Hij is overigens de enige patiënt die dat ooit heeft mogen doen en ik heb hem ook moeten beloven om dat nooit te laten knippen! Ik ben sindsdien zelfs geen kapper meer binnen geweest!  Ik geef eerlijk toe: die man ga ik nooit vergeten, waarschijnlijk is hij ondertussen al dood, zijn huisje is ondertussen verkocht aan de firma ernaast. Zijn hof waarin hij met echte liefde voor de plantjes werkte, staat nu vol met kranen en graafmachines. Mijn hart bloedt ergens als ik daar voorbij kom. Ondanks deze fijne ervaringen bij het Wit-Gele kruis, zou ik ander werk zoeken. Ik vond werk op een PAAZ.

 

PAAZ staat trouwens voor Psychiatrische Afdeling van het Algemene Ziekenhuis. Ik heb er niet zo lang gewerkt, ik had daar veel problemen met een snotneus die mij moest begeleiden in mijn nieuwe job. Hij vond zichzelf heel wat, ik heb nooit met zo’n mensen kunnen omgaan. Hij zei ook dat ik dingen gezegd of gedaan had die helemaal niet waar waren. Hij kon mij duidelijk ook niet uitstaan. Hij vond overigens dat ik dom was omdat ik uit een Latijnse kwam en dan mààr verpleegkunde was gaan studeren, blijkbaar is dat echt compleet geschift. Hij was al bij al niet veel jonger dan ik, maar van het leven kende hij echt niets. Of ik daar dan zo veel van wist…, daar zou men nog over kunnen discussiëren. Ik weet nog dat ik tegen één van de patiënten daar ging zeggen dat ik haar begeleidster was, ze moet rond de 60 jaar oud geweest zijn, en ze zei spontaan. “Ah, dat is goed, de vorige keer had ik zo een jong ding dat echt niks van ’t leven kent.” Ik moest toen spontaan lachen en vroeg haar hoe oud ze dacht dat ik was. Voor alle duidelijkheid, ik werkte daar toen ik 25 was. Ze had meteen haar antwoord klaar. “Ja maar, bij u is dat anders. Ge voelt dat: gij hebt al meer levenswijsheid dan sommige mensen van mijn leeftijd.” Ik kan u zeggen dat ik dat al bij al een groot compliment vond, al zeiden vrienden van me dat dat er ook niet zomaar gekomen is. Al die miserie was dan toch voor iets goed, zo bleek…   Ik begeleidde daar ook een jong meisje van 17, ze lag helemaal met zichzelf in de knoop. Ergens moest ik toegeven dat ze me aan mezelf deed denken toen ik die leeftijd had. Op een gegeven moment kwam ze me een gesprek vragen, ik was nog met iets bezig en vroeg haar of ik dat eerst mocht afwerken, ik zou haar nadien komen halen. Ze had haar rug nog niet volledig gedraaid of de collega waar ik toen de late mee had, zei tegen mij: “Dat komt nu toch echt nooit goed met haar.” Ik was kwaad, dat kan ik u wel zeggen. Ik had vooral iets van: “Dat is een kind van 17, geef dat meisje toch wat krediet!” Ik begrijp van zo’n mensen echt niet waarom ze juist voor zo een job gekozen hebben, het kan aan mij liggen…  Het was een meisje die me overigens ook niet kon loslaten toen ze naar Kortenberg werd doorgestuurd, ze bleef bellen en vroeg aan mijn collega’s, als ik niet aan het werk was, wanneer ik kwam werken enzo. Ik heb ze nooit afgescheept aan de telefoon en hoe vaak ik haar ook zei dat ze moest leren praten met de verpleging van ginder, ik was stiekem toch geflatteerd als ze zei dat ik de enige was met wie ze kon praten. Toen ze de PAAZ verliet, gaf ze me ook een sleutelhanger, zo een beertje van ‘me to you’. Dat hangt tot op deze dag nog steeds aan mijn sleutels. Het is iets dat ik echt koester. Uiteindelijk werd ik daar ontslagen, volgens mijn vrienden was ik gewoon te intelligent tegenover mijn collega’s, vooral door dat éne verhaal: Kort gezegd: een patiënt ging in crisis, iedereen liep die kamer binnen, maar dan ook echt iedereen tot de therapeuten en de psychiaters toe. Ik was van de overtuiging dat ik daar echt niets meer kon doen, die kamer stond echt vol en volgens mij stonden ze nog in elkaars weg ook. Ik deed dus verder op de gang. Er waren nog andere patiënten ook, nietwaar? Later kreeg ik op mijn bord dat ik niet mee binnengestormd was. Ik antwoordde simpelweg dat ik daar niets meer had kunnen doen en dat er nog andere patiënten waren. Die snotneus zweeg even en zei dan dat dat inderdaad zo was, maar ik had toch eerst moeten binnenstormen. Serieus???

 

 

Ik ging naar de vakbond om een werkloosheidsuitkering te gaan aanvragen. Ik kwam daar binnen net voor de gitaarles en liep in mijn typische hippiekleren rond. Die vrouw vroeg me of ik artiest was in bijberoep. Ik zeg heel stom “nee, waarom vraagt ge dat?” “Ge ziet er zo uit”, zei ze. Ik had een gitaar op mijn rug, akkoord, maar verder wist ik echt niet dat je er kon uitzien als een artiest. Ik denk overigens dat er meer mensen met een gitaar zijn die geen artiest zijn, meer zelfs dan die het wel zijn, maar ja…

 

Nog geen maand later had ik terug werk, ik kon beginnen op een andere PAAZ. Er werkte echter een verpleger die samen met me gestudeerd had. Hij vond het nodig om te gaan zeggen dat ik vroeger in de psychiatrie gezeten had. Ik moest me van de directeur nursing dus eerst gaan bewijzen op neurologie. Ja, echt: bewijzen, dat waren zijn woorden! Ik was furieus, maar had al een contract getekend. Ik kon verder over die ‘klikspaan’ alleen maar denken: chance dat ze niet weten dat hij tijdens onze studies van ’s morgens tot ’s avonds stoned rondliep. Die neurologie was een verschrikking. Allereerst hadden mijn collega’s geen hoge dunk van mij; Ik was maar een psychiatrisch verpleegsterke, ziet ge, die worden in de algemene verpleging vaak scheef bekeken. Dat was daar echt heel duidelijk al verschoten ze er wel van dat ik blijkbaar goed bloed kon prikken en infusen steken. Ik werd zelfs door collega’s speciaal geroepen omdat ik er echt vaak in zat, zelfs in diegene die niet meer te prikken waren en die met wegspringende aders. Het was ook de eerste job waar ik met blote armen moest rondlopen, oh ja, die staan vol littekens van vroegere automutilatie. Er heeft nooit iemand iets van gezegd, maar ik voel hun blikken tijdens die eerste dagen nog steeds priemen. Er werd bovendien zo hard geroddeld, met de adjunct-hoofdverpleegkundige op kop. Je wist gewoon dat, als je je rug gedraaid had, dat ze over jou begonnen. Dat is gewoon al geen fijne omgeving om te werken, ik kan niet tegen roddeltantes, echt niet, ik verafschuw ze zelfs. Als er niet over de collega’s werd geroddeld, werd er besproken wat er in de roddelboekskes stond. Ik kan nu over veel meepraten, maar dat gaat mijn petje te boven. De hoofdverpleger trok er zich allemaal niet veel van aan, die ging bijna op pensioen. Ik herinner me ook nog die éne morgen: het was zondagmorgen, ik had de vroege en ik was da avond voordien naar een optreden geweest. Een collega zei al lachend dat ik ’s nachts moest slapen, ik zei dus dat ik naar een optreden was geweest en dat het later was geworden dan verwacht. Naar wie ik dan wel geweest was, ik antwoordde: “Ah, Guido Belcanto”: ijzige stilte…je kon een speld horen vallen. Tot een collega voorzichtig zei, ik ad het gevoel dat we al een kwartier later waren: “ik vind dat maar nen rare tist”. Een andere collega, ééntje waar ik overigens wel mee overeen kwam, al was ze daar één van de weinigen, zei daarop al lachend: “Dat past dan bij Els, hè, dat is een rare tistin.” Ik ben er ook echt van overtuigd dat ze me echt een rare tistin vonden. Ik moest er verder ook mijn neuspiercing uitdoen, toen ik op een morgen boven kwam en ik ze nog in had, verscheen dat meteen op mijn blad met “slechte punten”. Ik was het gewoon vergeten en deed ze overigens ook meteen uit toen een collega me daar op wees. De stagaires kwamen bij me klagen over mijn collega’s, ook de patiënten spraken me er vaak over aan, iedereen bleek zijn hart over mijn collega’s bij mij te willen luchten. Hachelijke positie, vond ik toch en stiekem gaf ik ze allemaal gelijk.   Voor mij was het duidelijk dat ik daar zelfs niet wilde blijven werken, alleen de nacht deed ik daar graag. Die werd daar met twee gedaan en op een gegeven moment deed ik redelijk vaak de nacht met zo’n vaste nachtverpleegkundige. Die vaste dat dat deed en met wie ik moest samenwerken, was een zalig mens. Ze was even ruimdenkend als ik en wij konden echt over alles praten. Toen ik haar vertelde over mijn problemen met het “dagteam” vond ze dat zo herkenbaar: daarom ben ik vaste nacht gaan doen, zei zei. Ze heeft me ook gezegd dat ik mijn draai nog wel zou vinden, ik was een goede verpleegkundige, zei ze, ik kende mijn job, ik wist waarover ik praatte, ik had empathie en mijn hart op de juiste plaats. Ik was toen al ontslagen, maar die woorden deden met goed. Ja, ik werd dus inderdaad ontslagen, voor mij kwam dat niets te vroeg. Ik was zelf ook naar iets anders aan het zoeken, ik wilde daar weg: absoluut. Ik kreeg nog te horen van de directeur nursing dat ik terug mocht komen als de situatie met mijn vader was opgelost, die had voor alle duidelijkheid toen terminale kanker. Dat vergeet je niet, daar zien ze me nooit meer, maar echt nooit meer.

 

Ik werd dus ontslagen, ik was zo blij, maar dan echt zo blij. Ik was ervan af, maar echt vanaf. Qua werkervaring is dat echt de slechtste die ik ooit had. Het was zelf bij me opgekomen om zelf mijn ontslag in te dienen, maar ja, dan krijg je helemaal geen uitkering. Ik ging weer “dop” aanvragen en weer kreeg ik de vraag of ik artiest was in bijberoep. Ik schrok niet meer van deze vraag, maar bedacht me wel: ik heb mijn gitaar nu toch niet bij? Je kan overigens veel zijn in bijberoep, waarom vroegen ze mij nu steeds of ik artiest was? Ik begreep er niets van… mijn vrienden begrepen het dan weer wel. Ge zijt excentriek Els, dat is daarmee. Ach zo…

Ik wilde zelfs niet meer gaan werken, mijn psychiater zag dat in en schreef me gewoon ziek. Ik had echt nood aan die welkome rust, even niet gaan werken, het kwam als een geschenk uit een donkere hemel. Mijn psychiater was van mening dat ik weer serieus over mijn grenzen was gegaan en ze gunde me rust. Ik vond dat goed zo, mijn ex iets minder. Ik kreeg de vraag van een kameraad of ik bij hun gitaar wilde komen spelen. Ik vond vooral dat ik niet goed genoeg gitaar kon spelen, ik had ook nog niet veel daarvoor mijn eerst akkoord uit een gitaar gekregen. Dat is niet erg, zei die kameraad, gevoel is veel belangrijker. Die gast wilde echt een bandje oprichten, vooralsnog vond ik het idee best bizar. Maar ja, ik had toch niets beters te doen. Hij zei tegen me dat ik eens moest langskomen en mijn gitaar moest meenemen. Ik deed dat dan maar, hij blinddoekte me en zei: speel nu maar wat. Het is niet dat ik dan veel durfde, maar ik deed toch iets. Ik weet trouwens ook nog steeds niet waarom dat met een blinddoek op moest. Komt goed, mompelde hij. Die jongen meende dat echt serieus. Die gast had nog wat mannen opgetrommeld, we waren met vijf, ik was de enige vrouw en geen van ons kon deftig een noot lezen. We kwamen geregeld samen, ja, maar daar is nooit niets deftigs uit gekomen, al zeiden ze wel dat ik de teksten moest schrijven. Die waren vrij eenvoudig te noemen, een van die mannen zette er dan muziek op. Het waren zeker geen hoogstandjes. Nu ja, ik heb me toen al bij al geamuseerd, maar ik had op een gegeven moment toch iets van: misschien beter iets serieus doen. Die gast is trouwens nog steeds bezig met een bandje bij elkaar te sprokkelen. Hij heeft me al vaak teruggevraagd. Maar ik heb ondertussen totaal andere plannen. Oké ja, ik trek ondertussen mijn plan op een gitaar, ik ken de noten en ik herken zelfs een dissonant. Toch is gitaar spelen niet meteen mijn groot talent, ik heb er een ander. Ik durf overigens ook geen podium op, heel klein detail maar! Dat werd wel heel pijnlijk duidelijk tijdens het openbaar examen op het conservatorium.

 

Ik deed nog wat omzwervingen, werkte in een opvang voor kinderen met een psychische beperking (autisme, ADHD, …). Ik wilde eerste via de vdab gaan studeren voor opvoedster. Als psychiatrisch verpleegkundige kan je blijkbaar zo als opvoedster aan de slag. Ik had nog zoiets van “shit”…: terug gaan studeren, ik zag het eigenlijk wel zitten. Nu bleek dat ook niet echt mijn ding te zijn. Als A1 moet je dan overigens “de baas” spelen over kinderverzorgsters, dat voelde bij mij ook niet goed… verre van zelfs. Ik was 29 ondertussen, ik vond mezelf nog steeds een snotneus, laat staan dat ik ging zeggen tegen een 50-jarige kinderverzorgster wat ze moest doen. Ik denk dat zij dat beter wist dan ik!

 

Goed, ik stopte er mee, helemaal het noorden kwijt over wat ik dan wel zou gaan doen. Het was mijn psychiater die afkwam met een psychiatrisch revalidatiecentrum. Ik had er nog nooit van gehoord, eerlijk gezegd. Ik had ondertussen een relatie met Gui, mijn alles op dat ogenblik. Hij zei dat ik vooral iets moest doen wat ik graag deed, al was het in de Colruyt rekken vullen. Ik heb dat echt toen serieus overwogen, ik had echt het gevoel dat ik niets kon, maar dan ook niets. Al vond ik dan stil in mezelf dat ik nu ook wel wat meer in mijn mars had dan rekken vullen in de Colruyt. Goed, een psychiatrisch revalidatiecentrum… waarom niet? Ik ging daar voor alle duidelijkheid naartoe als cliënt. Zo’n revalidatiecentrum heeft als doelgroep mensen wiens psychiatrische problematiek gestabiliseerd is (ik voelde me ook wel degelijk gestabiliseerd, ik wilde echt niet meer tussen de zwaar psychiatrische gevallen gaan zitten: ik mag dat zeggen, ik was er zelf ooit zo één!). Het zou me klaarheid moeten brengen in wat ik nu echt wilde gaan doen. Ik wist verder echt niet aan wat ik me moest verwachten.  In het begin volgde ik daar wat lessen, ik had er niet veel aan. Ze vertelden me niets nieuws: draagkracht en draaglast bijvoorbeeld, ik kende het al tot treurens toe. Sociale vaardigheden, nog zoiets. Ik wist niet goed wat ik er zat te doen. Het was de coördinator die dit opmerkte en vroeg wat ze voor me echt konden betekenen. Ik wilde voorbereid worden op werk, wat voor werk kon ik dan ook weer niet zeggen. En voilà, het werd in gang gezet: ik mocht de administratie daar doen tegen deadlines om met stress te leren omgaan, ik mocht ook echt lesgeven als zijnde psychiatrisch verpleegkundige en zelfs een module ontwikkelen. Filosofie en herstel werd de naam van deze module. Ik deed dat samen met een andere cliënt. Ik ben echt trots op dat geesteskind, we hadden er ook echt ons werk van gemaakt!  Oh, ik voelde toen echt dat daar echt wel mijn interesse ligt en dat ik zo’n dingen graag doe. Ook schreef ik mijn herstelverhaal daar: schrijven Els, dat is uw talent! Ik meende mij inderdaad te herinneren dat mij dat ooit nogal gezegd was. Ik had ondertussen ook een blog waar ik op schreef en zo heel stiekem wilde ik toch vooral schrijfster worden. Daar valt geen cent mee te verdienen, zegt men vaak, maar om eerlijk te zijn: het is mijn ultieme droom: boeken schrijven en ik wil ook columns schrijven voor een krant. Verder werd ook mijn teken- en schilderstalent daar opgemerkt. Ik vond eigenlijk dat er daar anderen waren die het veel beter konden dan ik. Maar ze vroegen me of ik mijn werk daar wilde tentoonstellen, echt zo iets waar reclame voor gemaakt zou worden en mensen die dan langs mogen komen. Ik sla me soms echt voor de kop, maar ik wilde dat niet! Ik vind mijn tekeningen en schilderijen niet echt een tentoonstelling waard.

 

Na het revalidatiecentrum stond één ding vast: ik zou iets met dat schrijven gaan doen. Dat was mijn droom, dat was ook mijn talent, zo veel was duidelijk. Een kinderboek opteerde mijn moeder en je maakt zelf de illustraties. Het is misschien een optie, ja, maar ik wil eigenlijk schrijven voor volwassenen. Ja, mijn moeder is ook helemaal gewonnen voor het idee intussen. Ik had dat nooit echt verwacht om eerlijk te zijn, maar ook zij zegt dat ik talent heb. Mijn blog zou ik minder amateuristisch gaan aanpakken, ik betaalde zelfs voor een echte eigen domeinnaam op internet en ik maakte een facebookpagina aan. Dezer dagen is dat een goed medium. Ik werd gevraagd om te schrijven voor het kinderwensmagazine. Het werd mijn eerste echte opdracht, niet betaald voor alle duidelijkheid, maar je moet ergens beginnen, nietwaar? Ik solliciteerde bij hotel Hungaria, om de blog te schrijven voor Jani. Ze zijn daar mijn eigen blog gaan lezen en vertelden me dat ik waarschijnlijk geen voldoening zou halen uit de Jani-blog en dat mijn eigen blog qua niveau wel een stuk hoger lag. Ik moet eerlijk bekennen dat ik celebes en mode inderdaad redelijk oppervlakkig vind, ik ken er overigens ook niets van, maar het leek me een goede springplank naar… Daarna viel het weer stil.

 

Ik zit nu sinds februari thuis, ik blijf schrijven, een brief die ik schreef op de blog haalde zelfs de krant. Ik moet me voorlopig content stellen met Het Laatste Nieuws, maar hé: ik haalde met mijn talent de krant! Mijn blog bereikte ook verder een persoon die jonge schrijvers een kans wil geven. Zo publiceerde hij mijn herstelverhaal op het schrijversplatvorm Fronza. Als ik wil mag ik hem nog schrijfsels opsturen om daar te publiceren, hij vindt mijn schrijfsels zo goed dat hij vindt dat het een groter publiek dan mijn selecte groepje volgers moet bereiken. Ik ben tot op heden nog niet op zijn aanbod ingegaan, maar ik denk dat ik deze kans een van de dagen toch maar eens ga grijpen. Maar dan moet ik wel zien dat het goed is, en dan bedoel ik echt goed!

 

Eigenlijk wil ik mij gewoon verder toeleggen op het schrijven, maar ja: eten tovert zich ook niet vanzelf tevoorschijn. Dus ga ik nu toch een banaba volgen (bachelor na bachelor), iets waarin ik wel mijn draai in hoop te vinden, iets waarin ik op mezelf kan werken en dus geen last heb van collega’s en iets waarin ik mijn medemens nog steeds kan helpen. Ik ga gewoon therapie geven, ik zoek dat halftijds te doen, als zelfstandige zelfs, en halftijds mij toe te leggen op het schrijven. Geld vind ik verder nog steeds niet echt belangrijk, ik wil vooral iets doen wat ik graag doe, maar dan ook echt heel graag doen. Ben je als schrijver in bijberoep ook artiest in bijberoep? Ik zit nog steeds met die vraag in mijn hoofd….