Mijn eigen zwarte hond.

depressie

Ik zette er al een kort bericht van op Facebook gewoon omdat ik vandaag een besef had: een besef waar ik me echt wel goed bij mag en kan voelen! Iedereen rond mij weet dat ik serieuze psychische problemen heb gehad, ik automutileerde als zot, deed zelfmoordpogingen en wilde echt niet meer leven. Majeure vitale depressie zeiden ze, samen met nog wat stempels. Op een gegeven moment moest ik zelfs in een rolstoel zitten omdat het niet meer ging: gewoon geen energie. Ik was een wandelend lijk (of eigenlijk: een rollend): mijn BMI was veel te laag. Dat was toen geen eetstoornis, maar echt het gevolg van die depressie: geen appetijt. Ik kreeg op een gegeven moment antidepressiva via het infuus. Alleen ’s nachts, dat weet ik nog. Ik zat toen dus met een katheter in mijn arm en die werd elke avond aangesloten, ik kreeg Fortimel, dronk er ongeveer 1 per dag en daar leefde ik zowat op. Verpleging die een vreugdedansje maakt als je bij het ontbijt een half potje yoghurt eet. Been there, done that. Meer over depressie: zie filmpje ‘The Black Dog’ helemaal onderaan.

 

Het was dan ook de psychiater in Kortenberg die serieus aan de alarmbel trok toen ik ze vertelde: “Hier mag naast mij een bom liggen, ik weet dat die binnen de 5 minuten gaat ontploffen. Geen haar op mijn hoofd dat er dan aan denkt om weg te gaan.” Toen ze datzelfde gesprek vroeg hoe ik me voelde, antwoordde ik “Leeg, denk ik, ik voel niets meer.” Mijn moeder verwachtte toen elke dag telefoon, zei ze achteraf, om te zeggen dat ik er niet meer was. Ik wilde toen eigenlijk ook niets liever. Het is die opname, zeg ik altijd, die letterlijk mijn leven gered heeft. Ik zat op Sint-Augustinus (tegenwoordig Clip genoemd), psychoanalyse. Oh ja, in de loop der jaren merkte ik ook dat gedragstherapie bij mij echt niet werk. Uit één of andere psychologische test, gedaan tijdens één van die opnames, kwam dit zelfs duidelijk naar voor. Dat een psychiater verder ooit zei dat gedragstherapie niet werkt voor intelligente mensen, laat ik nog ergens in het midden, al zie ik er wel een bron van waarheid in. Mijn eigen psychiater zei dan weer dat het bij mij niet werkte omdat ik zelf te veel van psychologie kende. Wat er ook van moge zijn: bij mij werkt het echt niet. Dan moet ik ergens ook denken aan die keer dat ze op de PAAZ beslist hadden dat ik buiten zou vliegen als ik nog één keer automutileerde. Oh, de spanning werd zo hoog daardoor, het was niet echt iets wat ik in de hand had. Ik denk nu echt van die beslissing: hoe stom kunt ge eigenlijk zijn? Ik heb er nog echt lelijke littekens van, die waarvan je echt ziet dat ze ver open stonden en die dus nooit gehecht zijn geweest of wat dan ook.  En de verpleging: die wist van niks…. Ik vond het schrijnend toen er een verpleegkundige na een week zei dat die maatregel toch hielp, vijf minuten daarvoor nog had ik gesneden. In Kortenberg deden ze dat anders. Had je gesneden, gedronken, wiet gesmoord of wat dan ook, zeiden ze niets de dag zelfs. De volgende dag moest je wel gaan uitleggen bij de hoofdverpleegkundige waarom je dat had gedaan. Daar werd telkens heel begripvol op gereageerd en dan vroeg ze of je wilde beloven dat niet meer te doen. Als je zei dat je dat niet kon, vroeg ze of je het op zijn minst wilde proberen. Voor mij werkte dat goed… een belofte om te proberen het niet te doen, die wil je niet breken… Ook werd die automutilatie dar bekeken als een symptoom dat vanzelf zou verdwijnen als de patiënt in kwestie weer beter is. (Laat ons zeggen dat ik deze mening ook deel!)

 

Maar wat ik dus wil zeggen: ik heb verschillende opnames achter de rug, verschillende therapieën, verschillende ‘pillen’ en nu? Ik ben gewoon Els, ik heb mijn verleden, maar functioneer normaal. In zo verre dat ik normaal ben, zelfs mijn psychiater geeft toe dat ik echt anders denk dan de doorsnee mens. Wat ik vooral wil zeggen: ik ben tevreden en momenteel valt er geen enkel stempeltje te kleven! 😉

 

Als we nu teruggaan in de tijd: die eerste opname op de PAAZ, daar had ik veel aan. Al vielen toen veel mensen in mijn omgeving compleet uit de lucht: Els in de psychiatrie???  Dat kan toch niet…. Ja, ik was wel goed in maskers dragen… ik deed het dan ook al jaren. Ik was toen 17 en besefte rond mijn 12 jaar voor het eerst dat ik anders in elkaar zat dan de anderen. Ik heb dat “anders zijn” trouwens ook nooit kunnen definiëren. Ik heb mij zelfs lang afgevraagd of ik dat niet gewoon dacht omdat ik toen al de depressieve kant opging en ik dus gewoon ook niet echt vrolijk was. Al weet ik nog wel dat een goede vriend toen tegen me zij: “Ik ken niemand die zo hard haar best doet om normaal te zijn, maar t is ook juist diezelfde persoon die het nooit zal zijn!” Jaren later dacht ik daar nog over… Ik merkte ook vrij vroeg dat ik niet tegen stress kon, niet tegen “onder druk staan” kon. Ik stopte met sporten toen de trainer zei dat ik klaar was voor toernooien bijvoorbeeld. Ik deed judo, ik deed dat echt graag, maar wedstrijden: dat wilde ik echt niet. Ik liet het vallen, school kon ik natuurlijk niet laten vallen. ’ s Nachts niet kunnen slapen omdat je toets hebt en dan toch de hele nacht maar herhalen. Misschien is toen echt mijn slaapstoornis begonnen, ik zou er niet van verschieten. Braken en diarree bij examens, ziek geschreven worden door de dokter dan maar, en elke keer kwam dat terug bij de examens… De dokter was niet echt dom en ik ook niet, ik zag wel een verband. Vooralsnog werd daar thuis gewoon over gezwegen. Toen ik 14 was, vonden mijn ouders me een probleemjongere… Mijn moeder wilde me naar een kinderpsycholoog sturen, ik deed er onverschillig over (zo zijn tieners nu eenmaal), maar ik wilde niets liever. Er werd gesproken van internaat en eigenlijk wilde ik ook niets liever dan dat. Beiden werden terug van de baan geveegd.

 

Eigenlijk kon ik, achteraf gezien, niet echt mee in het reguliere onderwijs. Dit klinkt misschien vreemd, ik deed Latijn-Wiskunde, heb nooit herexamens gehad en ben nooit blijven zitten: ik was er elk jaar door. Ik weet wel dat mijn punten veel hoger hadden kunnen liggen, maar ja: er was een beestje dat faalangst heette. Ik ben echt naar examens geweest, waar ik puur van de stress niets had kunnen studeren en waar ik toch voldoende haalde om te slagen. Dat zal ik hoogstwaarschijnlijk aan mijn verstand te danken hebben. Oh ja, uit zo’n IQ-test dat ze ooit deden in een opname, blijkt dat ik bijna hoogbegaafd ben, ik zit eigenlijk op het randje. Het gekke was, ik heb heel mijn jeugd in de clinch gelegen met dat verstand. Ik voelde vaak dat ik al twee stappen verder zat dan mijn vrienden, ik heb dat nu nog trouwens. (En dit is de eerste keer dat ik dit gewoon durf neer te schrijven, het komt zo stoefferig over terwijl dat net niet mijn bedoeling is.) Gelukkig ken ik ook mensen die wel kunnen meedenken op mijn niveau. Het gekke van de zaak is dat zij ook met psychiatrie te maken gehad hebben! Is er dan toch een oorzakelijk verband? Ik vraag het me nog steeds af. Ons vader zei trouwens tijdens die eerste opname: “ge hebt een goei stel hersenen, wat zit gij hier dan te doen.” Terwijl ik net dacht dat dat de reden was waarom ik daar zat! Gelukkig zei de psychiater wel dat ik heel intelligent was en dat ik er daardoor ook wel terug zou uitraken….

 

Die psychiater (Dr. F M) is nooit echt mijn vriendin geweest, maar ik geef ze daarin niet 100% gelijk, maar 200. Alsook dat ze toen wist dat Augustinus voor mij de oplossing was. Nu, zo vele jaren later pluk ik nog de vruchten van die opname. Ik ben daar zo vaak op mezelf gebotst, die botsingen waren overigens extreem hard. Maar ik leerde ervan bij, ik leerde hoe ik in elkaar zat, ik leerde waarom ik reageerde op de manier dat ik reageerde, ik besefte waarom ik niet wilde eten, ik zag terugkomende patronen: bij mezelf, maar ook in het gezin. Ik zag in dat ik mensen rond mij niet kon veranderen, maar dat ik er wel anders naar kon leren kijken, …   Dat proces is zich verder gaan ontwikkelen toen ik daarbuiten was en verder ging met mijn leven. Het gekke was: ik hield ondertussen van die keiharde confrontaties, omdat ik dan wist dat ik eruit zou leren en dat me dat stapje voor stapje dichter zou brengen bij mezelf.

 

De psychiaters die daarna volgden hadden ieder zowat hun eigen aanpak, maar over één ding waren ze het allemaal eens: ik had extreem veel inzicht in mezelf en mijn handelen. Ze zeiden dat ook oprecht verbaasd. Dr. C was de eerste die het zei, ze was toen ook verbonden aan het ziekenhuis waar ik eerder op de PAAZ had gezeten. In Kortenberg vonden ze toen dat ik een psychiater nodig had die verbonden was aan die PAAZ en wel om de reden dat ze voorzagen dat ik er nog weleens terecht zou komen én omdat ze bij mij zagen dat ik een enorm probleem had met vertrouwen. Een terugkerende, dezelfde, veilige haven met dezelfde hulpverleners zou me goed doen als ik daar dan ook even zou terecht komen (Maar eerlijk gezegd: als dat gebeurde, was de helft van het personeel alweer vervangen door anderen…) Dat klikte echt goed met Dr. C, echt wel heel goed. Maar toen vertrok ze daar, ze ging werken in een crisiscentrum in Berchem. Ik mocht in het begin nog bij haar komen, maar in dat centrum zat er een maximum op: max 10 keer. Ik ontliep het een beetje dat ik een andere psychiater moest zoeken, ze hielp me daar trouwens ook wel bij maar ik zat echt vol weerstand. Mijn 10 beurten waren om en ik had nog geen andere psychiater, ik zag dat eigenlijk echt niet zitten: wéér iemand nieuw, weer mijn hele verhaal moeten vertellen. Een crisis drong zich aan, Dr. C belde met Dr. F M om me te laten opnemen op de PAAZ. Ik mocht komen, nog dezelfde dag belde ik ook naar Dr. F M, ik wilde het eerst op een andere manier oplossen en zei met andere woorden: ik kom niet. Het was de eerste keer dat ik kon ervaren dat ik die crisissen zelf ook wel de baas kon. Ik ben een week weggeweest, met mijn beste vriendin (het was haar voorstel), gaan uitwaaien aan zee. En of dat goed gedaan heeft… Bovenal was ik zo trots op mezelf, een overwinning zonder opname!

 

Ik had nog steeds geen andere psychiater natuurlijk, ik ging dan wel regelmatig naar mijn huisarts. Die schreef me mijn antidepressivum en de andere medicatie voor, maar daar was dan ook alles mee gezegd. (Niet dat ik geen goede huisarts heb, het is gewoon zijn job niet en hij had er de tijd gewoon ook niet voor.) Ook hij drong aan op een nieuwe psychiater, belde zelfs met zo’n psychoanalist toen ik erbij zat. Wachtlijst van maanden, maar ik stond er op. Ik studeerde ondertussen en iemand van mijn klas begon plots over zijn psychische problemen tegen mij. Hij wist toen trouwens echt niets van mij, het was niet dat ik daar toen zo open over was. Hij was vooral ook vol lof over zijn psychiater. Na een tijdje durfde ik hem dan toch vragen welke psychiater hij had omdat ik er één zocht. Hij vroeg niets, zei gewoon de naam en gaf me de nummer. Ik belde, kreeg ze te pakken, maar ook zij had een maandenlange wachtlijst, ze kon me wel een collega aanraden, die zou sneller plaats hebben. Ik nam dan contact op met haar en ja, hoor: ik moest maar twee maanden wachten.

 

Oh ja, al die tijd ging ik trouwens wel langs bij een therapeute die ik overigens ook goed vond. Ze zat toen nog bij het CGG en later zou ik privé bij haar gaan.

De eerste keer dat ik bij die psychiater kwam, zag ik er echt tegen op. Ik was ook zenuwachtig, ze stelde me op mijn gemak, stelde vragen en luisterde. Dat is nu langer dan tien jaar geleden, ik ben nooit meer van psychiater veranderd. En ik heb haar kinderen op de foto’s in haar spreekkamer ook ouder zien worden! 😉

 

Het was ook de periode dat ik zou afstuderen, als psychiatrisch verpleegkundige dan nog wel! Qua ironie kon dat wel tellen, toch ben ik nog zeer blij met dat diploma. Ervaring opdoen als patiënt is niet altijd slecht, er zijn dingen die ik meemaakte die ik nooit zou doen en patiënten zeggen ook vaak dat ik het wél lijk te begrijpen. Ideaal is de job psychiatrisch Verpleegkundige/ervaringsdeskundige. (Die bestaat wel degelijk, al was ik misschien de grondlegger! 😉 )

 

Ik ging werken, maar vond het zwaar. Dat is de aanpassing zei iedereen me. Die aanpassing bleef lang duren, later zou ook blijken dat ik toen klierkoorts had en op een morgen: de eerste dag van een reeks van vier dagen recupe, wilde ik opstaan en ik zakte letterlijk door mijn benen. Ik belde mijn moeder (oh ja, ondertussen woonde ik alleen) en kon enkel wenen, ik zei niets, weende alleen. Ze kwam, ik had ergens toch een manier gevonden om weer op mijn benen te kunnen staan, en ze nam me mee naar het ouderlijke huis. Ik ben daar drie dagen mijn (oud) bed niet uitgekomen, mijn moeder belde mijn psychiater en de vierde dag van mijn recupe zat ik al op de PAAZ. Ik voelde me daardoor zo mislukt, maar echt zo mislukt, in dat verblijf op de PAAZ ging ik helemaal in crisis, meerdere keren, kort na elkaar en niemand die begreep dat het was omdat ik me zo gefaald voelde, maar dan ook zo gefaald. Ik was immers niet zo lang afgestudeerd, ik had een appartement gehuurd, ik had een goede job, ik had zelfs een lief, de toekomst zou me tegemoet moeten gelachen hebben en in plaats daarvan was ik er onderdoor gegaan. En die opname zelf was het toppunt van mijn falen. Eender hoe, ik had al zo lang niet geautomutileerd en daar, op de PAAZ, begon ik terug, erger dan ooit tevoren. Ik ging op mezelf te keer als een raastig persoon, waarschijnlijk was ik ook raastig. Dr. F M wilde me niet lang houden, ik wilde ook niet lang blijven: twee weken spraken we af. Na die twee weken stuurde ze me dan maar op dagtherapie, ook daar verbonden aan de PAAZ. Ik wilde dit zelf ook voor alle duidelijkheid, ik wilde thuis zijn. Met mijn kat dicht bij mij en ’s avonds bezoek van vrienden of omgekeerd. Ja, dat vond ik echt goed. De afspraak was dat, als ik automutileerde, ik de volgende dag niet kwam. De overgrote meerderheid had in die dagbehandeling trouwens diezelfde afspraak voor alcohol. We waren een klein clubje, hoe slecht ik mezelf ook voelde, ik vond het al bij al nog gezellig in dat groepje. De therapieën… tsja, die vond ik dan weer niet om over naar huis te schrijven. Ook werd ik verplicht om mee te gaan zwemmen, die dagen bleef ik bewust thuis trouwens. Tsja, ik kreeg daarvoor onder mijn voeten… maar de angst om me in een badpak onder de mensen te gaan begeven was groter. Toch was het elke dag een strijd om daar te geraken, een strijd met mezelf. Mijn wekker die wel afging, maar ik die niet de fut had om op te staan, me aan te kleden en te vertrekken. Toch stond ik er meestal, al had ik het er wel vaak over met de verpleegkundige, die ons select groepje begeleidde… het werd echter moeilijker en moeilijker. Die verpleegkundige belde dan als ik niet op tijd was en ze motiveerde me telkens om toch te komen. Ik weet nog dat ik er de laatste dag om 11u doorkwam, veeleer een zombie dan een levend persoon. Ze zou praten met me had ze gezegd aan de telefoon, deed dat ook. Ze zei dat ze aan Dr. F M ging vragen of ik niet terug opgenomen mocht worden, want dat het echt niet ging: die dagtherapie. Ze zei er nog bij dat ze zag dat ik echt wel mijn best deed. Het ging ook echt niet, ik voelde dat aan elk vezeltje in mijn lijf. Ik weet nog dat ik in de cafetaria zat met mijn plateau voor mijn neus, de anderen van ons groepje wilde wel bij me blijven maar ik zei dat ik liever had dat ze weggingen. Wat ze dan ook deden. Ik zat eerder met mijn eten te spelen, honger had ik niet, die verpleegkundige kwam naar mij, ze nam me zelfs vast (dat gebeurt niet vaak!) en zei dat ik spullen mocht gaan halen thuis en dat ik vandaag nog naar het derde verdiep mocht gaan voor opname. Ik weet nog dat ik zo begon te wenen en zij wilde me troosten, ik weet ook nog dat ik haar zei: “Dat is zo hard falen! Maar echt zo hard.” Ik hoorde ze nog zeggen dat ik dat niet moest denken, maar ik was er echt van overtuigd…  Eenmaal op de PAAZ zelf ging het van kwaad naar erger, ik was ook zo onzeker toen over wat ging komen, of ik wel kon werken, of ik wel dit en of ik wel dat… Ik stelde de psychiater zelf voor om naar een afdeling in Duffel te gaan. Ik weet nog dat ze zich terecht afvroeg of die afdeling wel de juiste oplossing was. Ze stemde wel toe en ik zou tot dan op de PAAZ mogen blijven. Het team zag mij toen echt als een patiënt die het extreem moeilijk had, ik hoor ze wel nog steeds zeggen dat ik er al zo hard op vooruit was gegaan sinds de vorige opnames. Ik kon enkel denken: het zou maar erg zijn moest dat niet het geval zijn. Ik kreeg verder wel doucheschema’s enzo. Je wil trouwens echt niet weten hoe het met je gesteld is als je zelfs geen douche meer uit jezelf neemt.  Oh ja, dit was dus een drietal maanden, best lang… Ik werd weer rustiger, mijn begeleidster zag dat toen gelukkig ook, al begreep ze nooit veel van wat ik haar wilde zeggen. Ik deed dan ook vaak gesprekken met andere mensen van het team. Het is erg om te zeggen, maar van die begeleidster vond ik gewoon dat ze dom was, maar dan ook echt dom! Het zat hem in haar reacties, oh ja en haar empathiegehalte was overigens 0,0!

Ik ging uiteindelijk naar die afdeling in Duffel. Ik zeg nog vaak dat het daar middeleeuwse praktijken waren. Oké, het waren misschien geen middeleeuwse, maar het waren er toch echt uit de jaren stillekes. Geen enkele opname heb ik me zo vernederd en gekleineerd gevoeld, in geen enkele andere opname hebben ze me bijna een week in de isoleercel gestoken, zonder reden dan nog wel en me bijna net zo veel dagen vastgebonden gehouden, met een pamper aan en de boodschap: doe het daar maar in. Tussendoor spuiten we u nog eens plat!  Ik zweer u: ik heb aan die week een trauma over gehouden, maar echt een trauma. Oh ja, die nachtverpleegkundige die besloot me in de isoleercel te steken is wel ontslagen daarna. Ik heb het er ook echt niet bij gelaten. Mijn eerste stap was klacht indienen bij de hoofdverpleegkundige mét steun van mijn medepatiënten omdat die toen ook niet wisten waarom ik plots overmeesterd werd door zwaar mannen en de isoleercel in gedragen werd. Ik was voor alle duidelijkheid, op die moment buiten met een medepatiënt een sigaretje aan het roken… begrijpen wie begrijpen kan. Oh ja, ik was wel een gesprek gaan vragen en ik kreeg in de plaats een etumine, madam wilde liever verder tetteren met de nachtverpleegkundige van de afdeling boven ons. Die medepatiënt nam toen gewoon de rol van verpleegkundige over in feite en deed dat zelfs goed. We waren in gesprek, meer was er ook niet aan de hand. Ik weet nog dat ik enkele weken later een verpleger van de PAAZ tegen kwam, ik vertelde hem dat. Die verschoot zich een ongeluk. Ik weet nog dat hij toen zei “wat er ook gebeurt en hoe moeilijk jij het ook hebt, jij blijft open staan voor communicatie, jij blijft mee opzoeken naar oplossingen en je kan dan met jou ook echte afspraken maken” Ah voilà, dat was niet de eerste keer dat ik dat hoorde trouwens. Goed, ik kwam uit die opname slechter buiten dan ik binnen ging, ik was een trauma rijker en mijn besluit stond vast: nooit zou ik nog opgenomen worden.

 

Ja, ik was toen heel slecht als ik daarbuiten kwam. De eerste keer dat ik na die opname bij mijn psychiater kwam, zei ze echt dat ik er als een wrak uit zag. Dank u dokter! Lol. Ze had snel door dat die opname me niet echt veel goed had gedaan, integendeel zelfs. Ook mijn familie en vrienden waren van mening dat het echt wel veel slechter met me ging dan toen ik op de PAAZ zat. Het gekke was dat mijn psychiater zelfs toen zei: misschien 3 weken op de PAAZ, daar voel je je toch goed? Nee, dus, ik wilde dat niet meer: nooit meer, never, jamais, slus! Oké, een afspraak dan: twee dagen per week bij haar en drie dagen per week bij de therapeute. Oh ja, dat wilde ik wel. Ze belde met de therapeute, legde het hele verhaal uit en oké, zover waren we dan. Ik stond er elke keer: zowel bij de psychiater als bij de therapeute en thuis stortte ik me op het huishouden. Ik was ondertussen verhuisd en woonde samen met mijn ex. Ik zocht vrijwilligerswerk en vond zelfs iets in de verpleegkundige branche. Ik had zelfs een batch waar mijn naam opstond en daaronder: verpleegkundige. “Net echt”,  dacht ik nog!

 

En stilletjes aan ging het beter én beter én beter, ik werkte zelfs ondertussen. Kreeg nog weleens een terugval, maar steeds minder diep, zelfmoord: geen haar op mijn hoofd dat het nog overwoog! Automutilatie: wat was dat ook al weer?

 

Vandaag kwam ik van bij de psychiater en ik besefte plots hoe hard het kan veranderen. Die therapeute bezoek ik al een tijd niet meer. Mijn vorige afspraak bij de psychiater was in februari, de volgende is pas in augustus. Dat is al wat ik nog van psychiatrische hulpverlening rond mij heb en dan vertel ik ze wat over dingen die meevallen, over tegenslagen, over mijn toekomstplannen en ook wel waar ik nu mee bezig ben. Dezelfde dingen die ik tegen mijn vrienden vertel eigenlijk. Daarstraks vroeg ze me of ik nog een afspraak wilde maken. Ik mocht wat haar betreft gewoon bellen als zou blijken dat ik ze toch echt nodig zou hebben. In feite wil dat ergens zeggen: you’re free te go, you don’t need me anymore! Het is ook niet dat ik nog psychofarmaca slik, dus ja. Maar daar lijk ik dan net weer schrik voor te hebben… het helemaal los te laten.

 

Vorige week vroeg een vriend me hoe ik dat gedaan heb, uit die depressie klimmen. Het was niet de eerste die het vroeg. Een paar dingen kan ik opnoemen: Hulp vragen en ook aanvaarden, dankbaar zijn, het boeddhisme (niet onbelangrijk!), kunnen laten zijn (ook de zwarte gedachten), jezelf toelaten te zijn wie je bent, beseffen dat iedereen in het leven miserie ten beurt valt, in de zon gaan zitten of wandelen, gevoelens er laten zijn, hobby’s stapje voor stapje heropnemen (ik las graag, daar kon ik me niet op concentreren, dus ik begon met een simpel Suske & Wiske, nu lees ik terug boeken van filosofen enzo 😉 ), niet te veel tegelijk verwachten, afspreken als je momenten van isolement voelt aankomen, in het algemeen: buiten komen, de gordijnen open doen of de rol optrekken, kleine dingen eigenlijk, die dan wel moeilijk zijn en voor een ander helemaal banaal klinken en bovenal: tijd is je bondgenoot.

Een depressie gaat niet over van de ene dag op de andere. Als ik het voor mezelf bekijk, had ik een depressie van een jaar of 10, oké, er waren duidelijke crisismomenten en de periodes ertussen overleefde ik eerder dan dat ik leefde, er waren ook wel een paar minder erge dagen. Ik kan ook niet precies zeggen: daar begon ze en daar stopte ze, het gaat zo geleidelijk: zowel het afzakken als het weer opklimmen. Ik weet ook nog de eerste keer dat ik na maanden, zelf jaren denk ik, kon wenen. En dat bleef maar komen, ik weende uren aan een stuk, met wat tussenpozen verspreidde zich dat zelfs over dagen. Ik kon gewoon niet meer stoppen. “Dat is een goed teken” zei de psychiater toen en of dat een goed teken was. Het was de eerste stap voorwaarts, de eerste echte! Het was tijdens mijn opname in Kortenberg, ik had dus zeker nog een lange weg te gaan…

 

En eigenlijk zou ik ook gewoon eens alle (goede) hulpverleners moeten bedanken die ik de afgelopen jaren had. De eerste die ik zo had, was de nachtverpleegkundige op de PAAZ. Het was de eerste die ik een beetje vertrouwde om iets te vertellen, nog niet alles natuurlijk. Ik denk dat ze daar ergens een speciale tactiek voor had, ik zou het in feite niet weten! Misschien was het gewoon haar persoonlijkheid waardoor ik haar vertrouwde. Ik heb zelfs gedacht dat ik daar verliefd op was, een andere hulpverlener zei me dat dat waarschijnlijk niet zo was, iets van verwarren van gevoelens. Later werd ook duidelijk dat dit inderdaad niet het geval was. Ze was gewoon de enige die ik echt kon vertrouwen, inderdaad een belangrijk verschil! Maar ook wel mijn begeleidster toen tijdens die opname. Zij is trouwens ook de latere verpleegkundige bij die dagtherapie. Oh, en ik herinner me ook nog J en W, twee oudere rotten in het vak. Als W de nacht had, deed ze zelfs haar schoenen uit als ze haar toer deed. Gewoon dat al vond ik zo lief! (Ik heb dat overigens afgezien van haar, alles voor de rust van de mensen! 😉 )Verder dan ook wel Dr. F M. Och ja, ze was mijn vriendin niet, ik weet het, maar achteraf gezien had ze telkens gelijk, had ik er maar vaker naar geluisterd op dat moment. In Kortenberg denk ik aan onze therapeut plastische expressie, ik leefde me daar zo in uit, smeet verf in het rond en liet mijn inspiratie de vrije loop. Ik raakte er alles in kwijt en toen ik met hem mijn werken besprak, stond ik ervan versteld hoeveel hij daar over mij allemaal uithaalde. Het klopte nog ook! Maar ook Dr. M toen, ze was toen nog assistente, maar een geboren psychiater. De volgende assistente vond ik een pak minder. Ik denk ook daar aan een nachtverpleegkundige M-J, een schat van een mens. Maar ook aan die jobstudent die de nacht kwam toen tijdens de zomervakantie: een crème van een gast. Hij kwam er daarna vast werken en heeft hele uren aan mij besteed met het uitleggen van het SVH, verpleegproblemen en consoorten toen vast stond dat ik midden in het academiejaar zou beginnen met verpleegkunde. Maar ook G, onze therapeute PMT en lichamelijkheid. Ze leek altijd alles te begrijpen en verplichte je tot niets. Zij kreeg me ooit zo ver om te zwemmen, het mocht wel met mijn kleren aan! De muziektherapie was toen, gek genoeg, minder mijn ding, maar zelfs die therapeute was goed in haar job en ook in het benaderen van mij. Ik durfde eigenlijk gewoon niet op zo’n muziekinstrument slaan (daar is die faalangst weer) en ze liet me daarin rustig mijn eigen tempo volgen. Ik denk dat ik pas na een half jaar tijdens zo’n sessie op het einde van die improvisatie een slag gaf op de djembé. Ik zie nog steeds hoe enthousiast ze daarop reageerde. En bovenal, het zijn dan misschien geen echte hulpverleners, maar gewoon de mensen die toen bij me in de groep zaten. Ik weet nog hoe we elkaar aanspoorden, hoe we elkaar steunden en hoe we er waren voor elkaar.

In Duffel denk ik aan mijn begeleidster S. Die vond ik daar echt wel goed, ze was net even oud als ik, ook net afgestudeerd, ze erkende me ook al zelf psychiatrisch verpleegkundige zijnde (ze begon veel met “Els, gij weet even goed als ik…”). En oh ja, H, ook een verpleegkundige, was een zalig mens. Ik weet dat zij me ooit zei dat al die “psychiatrie-trucjes” bij mij niet werkten omdat ik ze kende. Dat is niet geheel onwaar natuurlijk! 😉

Verder dus ook Dr. C, Dr. E M (deze keer heb ik het over mijn huidige al-langer-dan-10-jaar-zijnde mijn psychiater, therapeute H.A. (en ik ben daar achteraf gezien op een heel vreemde manier gestopt, ik had er echt genoeg van, denk ik, maar dan ook echt genoeg.) en natuurlijk psychologe S uit Leuven. Zij hielp me vooral met mijn verdriet toen Gui stierf al is dat niets psychiatrisch, ze hoort er ergens wel bij.

 

En vooral bedank ik mijn eigen supporters: mijn familie en mijn vrienden. Ik prijs me gelukkig dat er nooit iemand echt verdwenen is tussen al die opnames door. Verhalen die ik vaak wel hoor van andere cliënten. Voor mijn vriendinnen en familie was ik gewoon Els. Meer ook niet. Ik hoor die éne vriendin nog zeggen: “kijk, de zon schijnt”, ik was toen depressief ja. Ik besef nu meer dan toen wat ze wilde zeggen. En ja, ik kreeg veel bezoek tijdens mijn opnames. Ik hoor nog een verpleegkundige zeggen: “daar staat een trossel meiskes aan de verpleegpost voor u” Mijn grootmoeder bracht me elke week een zak snoep in de hoop dat ik toch iets zou eten. Typisch grootmoeders. Echt begrijpen deed ze het echter niet (ja maar, zit er dan iets in uw kop? Ze bedoelde voor alle duidelijkheid een tumor of zoiets). En mijn zus, die zondagavond op de PAAZ langskwam met koffiekoeken als ze van haar weekendwerk kwam. (Dat was inderdaad bij een bakker!) Ik noem ze nu niet allemaal op, maar ja, voor hen allemaal ben ik waarschijnlijk nog het dankbaarste…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s